Mark Rothko

 

De Amerikaanse schilder Mark Rothko (1903-1970) werd in de jaren ’30 geinspireerd door de vereenvoudigde composities en kleurvlakken van o.a. Henri Martisse. Daarna zocht hij aansluiting bij de surrealistische stroming. Rond 1947 brak hij daarmee en wendde zich tot de totale abstractie. Samen met de kunstenaars Gottlieb en Newman behoorde hij binnen het abstract expressionisme tot de ‘colorfield painters’. Zij streefden naar een kunst die de tragiek van het leven raakte en daardoor een tijdloze betekenis zou bezitten, met een abstractie die een vereenvoudigde uitdrukking is van de complexiteit van het menselijk drama. 

Rothko’s werk uit die tijd bestaat uit doeken met op een egale ondergrond twee of drie rechthoeken in verschillende kleuren en grootte. In deze kleurvelden, die lijken te zweven en vibreren, scholen voor Rothko mythische krachten die zichzelf  verplaatsen naar de toeschou-wer.  Rothko schilderde op groot formaat om een toestand van intimiteit te scheppen;
“Een groot schilderij neemt je in zich op. Als je een klein schilderij schildert plaats je jezelf  buiten je eigen ervaring. Alsof je op een ervaring neerkijkt met een ‘verklein’-glas.”

In Rothko’s werk boeit mij de transcendente eigenschap van  kleur, het opgenomen worden daarin.  Zoals hij zei:  “Een schilderij gaat niet over ervaring, het ís een ervaring”.